Vooruitgang, ooit een bron van hoop, laat ook haar tegenstrijdigheden zien: machines draaien, steden breiden zich uit, maar zingeving glipt weg. De werkelijkheid, die lawaaierig en haastig is, wordt raadselachtig. Er ontstaat verbijstering, een gevoel van innerlijke duizeling tegenover het falen van de aangekondigde beloften.
Kunst, net als poëzie, wordt dan een toevluchtsoord. Ze probeert niet langer te benoemen, maar om gevoelens te vangen: ze suggereert, stelt vragen, maakt barsten in wat we denken te zien. Ze wordt een middel en een doorgang tussen wereld en geest.
Kunstenaars kiezen daarbij verschillende wegen. Sommigen trachten de brutaliteit van het dagelijks leven weer te geven met helderheid en een verlangen naar rechtvaardigheid: dat is het realisme. Anderen onderzoeken met aandacht en empathie de wetten van het leven: dat is het naturalisme. Weer anderen zoeken het spirituele, een getransformeerde blik op de werkelijkheid: dat is het symbolisme.
Bij de symbolisten krijgen symbool en allegorie een nieuwe betekenis: ze vormen de sluier tussen het zichtbare en het mysterieuze, tussen de wereld en het ik.
Deze drie stromingen sluiten elkaar niet uit, maar raken elkaar, beïnvloeden elkaar en vloeien soms samen. Zo kan realisme mystiek worden, zoals bij Léon Frédéric; kan naturalisme spelen met allegorie, zoals bij Constantin Meunier; en kan symbolisme wortelen in het concrete, zoals bij Émile Fabry.
Wat deze moderne kunstenaars bindt, is hun betrokkenheid: hun werk is een middel om de decadentie, het gevoel van verval en het verlies van waarden te bestrijden.
In kringen en salons, zoals L’Essor of Les XX, komen kunstenaars samen om hun ideeën te delen en af te toetsen. Soms kiezen ze radicalere paden, zoals de Orde van de Rozenkruisers.
Kunst wil niet langer neutraal zijn, maar een daad en een antwoord op de crisis.